de weg kwijt (1)

  • Achteraf kan ik er best om lachen. 
    Herfst, regen. Ik ben onderweg naar een vergadering in een stad die ik niet ken naar een adres waar ik nog nooit geweest ben. Via de reisplanner van NS heb ik een trein uitgekozen die mij ruim op tijd naar die stad brengt. Met 9292 zoek ik uit welke bussen de kant uitgaan van het vergaderadres en ik heb de routebeschrijving uitgeprint die mij na de bushalte op dat adres zal brengen. Dat is negen minuten lopen, in mijn tempo een kwartier denk ik. Goed voorbereid dus.

    Op Rotterdam Centraal stoot ik op de eerste hindernis: seinstoring. Treinen naar mijn reisdoel rijden niet vandaag. Help, wat nu. Nadenken en een trein uitzoeken die omrijdt. Op het perron vraag ik aan een dame van NS hoe ik nu het beste op mijn bestemming kom.
    'U kunt het beste eerst naar Amsterdam gaan', zegt ze 'en daar overstappen op een trein naar Haarlem'. Dat lijkt me omslachtiger dan nodig. 'Ik kan toch ook in Leiden overstappen?' vraag ik dus. 'Ja, dat zal wel'.

    Iets later dan ik gepland heb sta ik in Haarlem op het stationsplein, maar de bus die 9292 mij aanraadde lijkt niet te bestaan. Hij komt in elk geval niet voor op het grote display met alle buslijnen. Ik neem dus een andere die naar dezelfde halte gaat. Perfect. Uitstappen en met de routebeschrijving in mijn hand ga ik op weg. In de regen. Als ik stevig doorloop kom ik best op tijd bij de vergadering.

    De eerste drie aanwijzingen van de routebeschrijving zijn redelijk te volgen. Het papier in mijn hand wordt steeds natter, in mijn zak stoppen dus. Ik moet nu doorlopen tot een bepaalde straat en daar rechtsaf slaan. Maar die straat komt niet. Ik spreek iemand aan en vraag of hij weet waar die straat is. Nee. Maar ik loop wel nog steeds op de goede weg volgens de routebeschrijving. Doorlopen dus. Kilometers verder roep ik naar een mevrouw op een fiets of zij me kan helpen. Ze leest de routebeschrijving en weet het ook niet. Een fietsende meneer verderop evenmin. In arren moede loop ik gewoon door. Daar komt eindelijk een zijstraat. Ik word al blij, maar het is niet de straat die ik in moet.

    De drie volgende zijstraten ook niet. Een man die twee hondjes uitlaat en even later weer een fietsende mevrouw hebben ook geen oplossing. Een fietsende scholier evenmin. Bij het huis waar ik aanbel om de weg te vragen wordt niet opengedaan, niemand thuis. De vergadering is allang begonnen en hier loop ik nog in een soort niemandsland, want in dit weer zijn er weinig mensen op straat.

    In gedachten zie ik mezelf lopen: een drijfnatte oudere vrouw met een wandelstok, die mensen aanklampt met de woorden 'neem me niet kwalijk, ik ben de weg kwijt, kunt u misschien …' Het valt me eigenlijk mee dat niemand de politie belt om te melden dat er een verwarde vrouw op straat loopt.

    Na anderhalf uur geef ik het op, dit heeft geen zin meer en ik ben doodmoe. Hoe kom ik terug bij het station? Ook bushaltes zijn blijkbaar schaars in dit gebied, terwijl ik wel een bus voorbij zie rijden. Een aardig meisje wijst me de weg nadat drie fietsers alleen konden zeggen dat zij nooit met de bus gaan en het dus niet weten. Drie bussen later kom ik bij het station aan. Terwijl de trein Haarlem binnenkomt krijg ik een telefoontje met de vraag waar ik blijf.
    'Ik ga net weer terug', zeg ik.
    'Zal ik je ophalen? Dan kun je nog naar de vergadering.'
    Ik moet er niet aan denken. Mijn energie is uitgeput.
    Achteraf kan ik er dus best om lachen.


    Lees meer...